Een modderbad. In Nederland kost het geld en in Papoea Nieuw Guinea is het onoverkomelijk. De trek naar het midden van de jungle in de Hela provincie (Pilongo village) begint dan ook met een ongepland modderbad. 

Op weg naar Pilongo village

We lopen een paar meter over de weg totdat Panda (onze porter) ons wijst naar een klein paadje het binnenland in. Thomas, onze gids, loopt inmiddels niet meer achter ons. Hij moet wat persoonlijke dingen regelen voordat ook hij de jungle in kan. Maar het geeft niet want aan het pad te zien haalt Thomas ons zo in. Het is er namelijk modderig en aangezien onze bagage nog ergens in Londen staat heb ik geen goede schoenen aan.

Glibberend lopen we tussen twee hoge wanden gemaakt van dezelfde modder. Een voordeel is dat het hier heerlijk koel is. Weg van de zon, die onze huid gisteren flink heeft verbrandt. Maar al snel hoop ik dat de zon toch ook in dit modderige steegje kan schijnen. Het is er namelijk spekglad. 

Introductie met de wandelpaden van Papoea Nieuw Guinea

En dat spekgladde verandert al snel in een ware modderpoel. Panda klimt aan de zijkant van het pad behendig omhoog. Hij zet zn voeten op een paar takken en hop springt zo naar de overkant. Het ziet er zo simpel uit dat ik hem vol goede moed achterna klim. Bij de eerste tak gaat het al mis want die breekt, waardoor ik genoodzaakt ben een stap in de modder te zetten. “Oh sorry” roept Panda naar me. Iets dat de Papoea’s al snel roepen als er iets onvoorziens gebeurt, iets dat zij als vervelend ervaren voor ons.

Inmiddels zijn er al heel wat buurtkinderen komen kijken hoe die ‘whity’ onhandig aan het klimmen is. Hoewel de helft grinnikend zit toe te kijken stapt de andere helft met blote voeten in de modder om te zorgen dat ik er ongeschonden vanaf kom. Een jongen biedt zelfs aan me op zijn rug te tillen. Maar dat gaat me te ver. Zeker omdat ik al een aantal keer ‘big’ genoemd ben. 

Na nog een paar van dit soort hindernissen te hebben overwonnen beginnen we pas echt aan de trek. In de bloedhitte beklimmen we een flink steile berg. De begroeiing is laag waardoor er geen schaduw is, de grond gortdroog en achter ons loopt een colonne van buurtkinderen. Zwetend lopen we omhoog, kruipend bijna. Hard gaan we niet met rugtas, op het heetst van de dag. Maar gezellig is het wel.

Vissende vrouwen in het meertje

Modder als zonnebrandcrème

Panda laat ons zien hoe we modder kunnen gebruiken om onze huid te beschermen. Onze zonnebrandcrème ligt ook nog ergens in Londen en in Papoea Nieuw Guinea gebruiken ze het niet. De zon brand al flink waardoor mijn huid er inmiddels rood uit begint te zien, die natuurlijke zonnebrandcrème in de vorm van modder komt ons dus goed uit.

Thomas heeft ons inmiddels ingehaald en zingt vrolijk liedjes. Omdat het best glad is zorgt Panda voor wandelstokken. Best fijn want inmiddels hebben we de top bereikt en moeten we weer naar beneden. In de modder valt dat nog best tegen.

Tijd voor een break

Maar ook dat overleven we en inmiddels zijn we bij een meertje aangekomen. Kinderen spelen heerlijk in het water, vrouwen vissen er wat en wij houden hier even pauze. Al snel zijn we omringt door kinderen van het dorp. Zo vaak zien ze geen witte mensen want die komen hier eigenlijk nooit. Thomas speelt wat spelletjes met de kinderen en de meiden raken maar wat graag mijn haar aan.

We gaan al snel weer op weg want we hebben nog een berg te beklimmen. Dit keer begint deze niet in de modder maar door schattige akkertjes waar nog schattigere huisjes bij horen. Ze verbouwen hier o.a. zoete aardappel, broccoli, wortels en bloemkool. De vrouwen zijn hard aan het werk, de varkens ploegen de aarde goed om en de kinderen rennen in het rond.

Het ziet er haast idyllisch uit, het leven in Papoea Nieuw Guinea. Maar schijn bedriegt, want het leven is hier natuurlijk hartstikke zwaar. Het is nu mooi en droog weer om lekker buiten te zijn, maar het regent hier vaker dan de zon schijnt en dan is het maar vies werken in de modder.

De hele dag binnen zitten lijkt me hier ook niet echt fijn. Waar ik in Nederland prima een hele dag een boek kan lezen, films kan kijken of een blog kan schrijven is dat hier natuurlijk niet aan de orde. De dagen lijken me dan best lang, al zullen ze dat besef van tijd wat minder hebben dan wij. Klok kijken doen ze hier toch niet want die hebben ze niet. 

We zijn er bijna, we zijn er bijna

Al snel verlaten we de akkertjes en begeven we ons weer in de bloedhitte. We banen ons een weg omhoog en springen af en toe over een droge greppel. Als een prinses word ik overal omhoog getrokken of omlaag geleid. De stok helpt ook goed en ik weet zeker dat me niets gaat overkomen zoveel handen worden me aangereikt als de weg wat glad is. Maar het is heet, ontzettend heet.

Ik voel de zon in mn nek branden. En omdat ik gisteren flink verbrand ben heb ik nu een lange broek en een vestje aan. Goed voor mn huid, verschrikkelijk voor de hitte. Het zweet breekt me dan ook uit. Nog nooit is het zweet zo over mn rug gedruppeld als nu. En dat maakt de tocht omhoog natuurlijk extra zwaar.

Maar nog niet helemaal

“Nog 30 minuten omhoog” roept Thomas vrolijk. Hij fluit erop los en wijst naar een hoge boom. Daar is het, maar inmiddels weten we wel beter. Hij bedoelt natuurlijk dat de guesthouse voor vanavond zich daar ergens achter bevindt. En inderdaad. Na diezelfde boom moeten we nog zo’n 15 minuten omhoog klimmen voordat we aankomen bij een prachtig huisje.

Onze slaapplaats voor vanavond in Pilongo village

Middenin de natuur staat een klein huisje bekleed met bamboo en sago bladeren. Het dak is bedekt met een dik pak mos, dat hebben we nog niet eerder gezien. Volgens Thomas is dit hoe ze vroeger de daken bekleedde. Tegenwoordig is er geen mos meer te vinden. Net zoals met de paradijsvogels. Die vlogen hier vroeger nog vrolijk rond maar door het flink jagen op die beesten houden ze het nu wel voor gezien. 

Onze eerste sing-sing

Niet al te lang nadat we aan zijn gekomen horen we gegrinnik en gelach. Er komt een hele stoet mensen aan. Kinderen zijn het. Ze zijn gekleed in hun allermooiste kledij. Prachtige hoofdtooien en kleurrijke rokjes. De hoofdtooien zijn natuurlijk gemaakt van die paradijsvogel die hier nu niet meer te vinden is. Om alsnog een hoofdtooi te maken moeten ze ver ver de jungle in. Dat het doden van zo’n paradijsvogel tegenwoordig verboden is maakt ze niet zoveel uit. Je cultuur behouden en trots uitdragen is óók belangrijk.

De kinderen staren ons aan en wij hen. Ik stel mezelf voor in Tok Pisin (Pidgin) en vraag naar hun namen. Ze reageren met gegrinnik en zeggen één voor één hun naam. “Paica Ore” roep ik, oftewel ‘heel erg mooi’. De kinderen grinniken weer. 

Na wat geschreeuw van de ouderen gaan de jongetjes in een kring staan en beginnen ze aan een sing-sing. Het ziet er super schattig uit, zeker omdat het een beetje fout gaat af en toe en de ouders de kinderen toeschreeuwen. Het lijkt haast wel een voetbalwedstrijd in Nederland, alleen dan leuker. Papoea Nieuw Guinea staat bekend om haar sing-sings, een dance-off waarin mensen in hun mooiste tribal costumes dansen en zingen. 

Na wat schaamte durven de meisjes ook eindelijk te dansen. Of springen eigenlijk meer. De meisjes plaatsen hun handen op hun borst en springen met hun benen wijdt naar buiten. Er zit geen ritme in maar de meisjes hebben het naar hun zin.

Op naar Pilongo village

Al snel worden we geroepen voor de lunch. Bananen, brood en ei staan voor ons klaar. Een kop thee ook en we kunnen even uitrusten van de trip. Maar niet al te lang want we zijn uitgenodigd om de markt van Pilongo village te bezoeken. Witte mensen komen hier niet en dat is te merken.

Welkom in Pilongo village, waar grote ogen je aanstaren 😉

Witte bezoekers in Pilongo village, dat is nieuw!

Het moment dat we aankomen staren grote ogen ons aan, we schudden iedereens hand en worden luid toegesproken door het hoofd van het dorp. Wat hij zegt versta ik niet, heel vriendelijk klinkt het niet, maar iedereen knikt ja en begroet ons vriendelijk. 

Vrouwen verkopen hun goederen, jongens zijn aan het kaarten (het geld plaatsen ze op hun machetes, we hopen dus dat ze tegen hun verlies kunnen) en de varkens worden bewaakt door een man met een flink geweer. Zelfgemaakt weet hij te vertellen. Hij ziet er vriendelijk uit en toch voel ik me niet helemaal op mn gemak.

De markt in Pilongo village waar we welkom geheten worden

De kinderen zorgen voor een wat fijner gevoel. Een voor een proberen ze me aan te raken. “Many haven’t seen any whites” vertelt een man me. Ook zien we dat bijna iedereen rode tanden heeft. Ze eten allemaal betelnut. Wellicht de reden dat de tanden al snel verrot raken en hoe ouder de persoon hoe minder tanden hij heeft.

Bragging rights in Papoea Nieuw Guinea; de hoeveelheid vrouwen

We worden voorgesteld aan de chief van het dorp. Als eerste horen we zijn naam, als tweede dat hij 16 vrouwen heeft. Bragging rights. Deze meneer mag dan 16 vrouwen hebben en meer dan 30 kinderen maar met ons communiceren kan hij niet. Dat doet zijn broer, die 4 vrouwen heeft. “I can’t beat him, but that’s okey. Four is good”. Wanneer ik aangeef dat vrouwen geen bezit zijn kijkt hij me vragend aan en neemt hij nog een hijs van zijn pijp. Het gaat nog even duren voordat ze vrouwen zien als gelijken denk ik. 

De school van Pilongo village

We krijgen een korte rondleiding door het dorp. Eigenlijk alleen over het schoolterrein. De school is op dit moment gesloten want er is onenigheid tussen de clans. Maar onze gids begrijpt dat educatie belangrijk is. “To travel the world like these white people, you have to be educated” vertelt hij de kinderen die ons zijn gevolgd. 

Het schoolterrein van Pilongo village

Het begint donker te worden en we besluiten terug te gaan naar onze hut voor vanavond. Maar uiteraard niet voordat we iedereen gedag hebben gezegd en de hand hebben geschud. 

There and back again

Na een nacht tussen de muizen worden we gewekt door wat klinkt als duizenden vogels. Allemaal lijken ze de laatste zang te willen hebben. En dan ineens is het stil. Voor ons het teken om op te staan. Na een lekker ontbijt van scrambled egg, brood en thee gaan we op weg. De eigenaar van de hut waar we hebben geslapen, zijn broers, een neef en een vriend gaan met ons mee. 

Sugar cane kauwen tegen de dorst

Ditmaal kiezen we een ander pad, eentje door nog meer akkertjes, langs een meertje waar driftig gevist wordt en met een immens steile berg in een soort klein regenwoud. Maar voordat we aan de steile klim beginnen krijgen we eerst wat sugar cane van de neef. Zij eten flinke stukken, wij krijgen kleine stukjes. Maar zelfs dat lijkt teveel tijdens het klimmen en ik zuig ze snel op voordat ik verder klim. De mannen klimmen rustig door met hele sugar canes in hun handen en mond. 

Ik ben een breekbaar bloempje

Het is een pittige klim maar ook hier word ik weer behandeld als breekbaar bloempje. Ik word aan de hand meegenomen de helling op. Omdat het een klein stuk van het regenwoud is, is het hier ook erg nat. Dat zorgt voor een fijne verkoeling op de huid, maar uiteraard ook weer voor gladheid. Dat is niet erg omhoog maar naar beneden is het een flinke uitdaging. Wij gaan een uitdaging niet uit de weg en dus stappen we rustig door. Op goeie schoenen, terwijl onze delegatie het op blote voeten doet. En misschien is dat gewoon wel veel beter. Je glijdt natuurlijk minder snel uit. 

Eind goed al goed. Na zo’n 4 uur lopen komen we aan bij de main road. Tijd om afscheid te nemen van deze fantastische groep mannen die ervoor gezorgd hebben dat we heel en veilig door het regenwoud zijn gewandeld. 

Een welverdiende douche… of zoiets

Kapot zijn we wel, en het is ook tijd voor een douche. Een koude, uit een emmertje, desalniettemin een welkome douche! Onze kleren wassen we een beetje en hangen we te drogen. We hebben niets anders bij ons en moeten het er hoogst waarschijnlijk nog een paar dagen mee doen. Als onze bagage überhaupt nog wel aankomt.