“Welcome to the remotest place on earth, welcome to Tristan da Cunha ” zegt ze vrolijk en ze schudt me de hand. We stellen ons voor en “Oh I know you, Milene!” roept ze en ze geeft me een knuffel. Kelly is een jonge meid uit Engeland. Een paar jaar geleden werd ze verliefd op een Tristanian toen ze het eiland bezocht. Inmiddels is ze getrouwd, heeft ze een dochter en woont ze een jaar op het eiland. We spraken elkaar voor vertrek op Facebook.

Tristan da Cunha is de meest afgelegen bewoonde plek ter wereld, tot genoegen van de inwoners. Maar voor Kelly niet, zij vindt het fijn als er een boot vol toeristen komt. Negen keer per jaar komt er een vracht of expeditie schip langs en iets vaker een privé zeilschip maar (bijna) nooit komt de RMS St. Helena langs met zoveel toeristen. Het eiland wordt dan overspoeld, en dat vinden sommigen maar al te leuk.

Conrad Glass. Foto: Milene van Arendonk

Conrad Glass. Foto: Milene van Arendonk

Zoals de enige politie agent op het eiland: Conrad Glass. Hij is een nazaat van de allereerste bewoner van het eiland ‘William Glass’ en heeft zijn handen vol aan de hordes toeristen. Zo is er weliswaar maar één weg op het eiland, deze heeft wel een vrij scherpe bocht. Ook moet hij alle paspoorten controleren en stempelen. Niet alleen de politie maar ook het postkantoor heeft het druk. Hier kunnen leuke souvenirs worden gekocht die overigens ook door de lokale bevolking wordt gemaakt. Van handgebreide truien tot ansichtkaarten met zeevogels erop en postzegels van eilandtradities (schapen scheren, aardappels poten) tot gehaakte penguins. Waar je hier je geld ook aan uitgeeft, het gaat direct terug naar de bevolking.

De Albatross pub. Foto: Milene van Arendonk

De Albatross pub. Foto: Milene van Arendonk

Er is hier geen vliegveld. Ook geen diepe haven. Om aan land te komen moesten we dan ook via een touwladder dat aan het schip was bevestigd. Vervolgens kwamen we, met behulp van een boot met vissers, aan land. Vanaf de boot konden we al zien dat Tristan da Cunha weinig meer is dan een 2060 meter hoge vulkaan omringt door de grote leegte van de Atlantische Oceaan. Edinburg of the Seven Seas, ook wel ‘The Settlement’, bestaat voornamelijk uit lage gebouwtjes met rode en blauwe golfplaten daken. Ook zijn er drie kerken en is er een pub: The Albatross. Binnen is de gelijkenis met een Engelse pub treffend. De Engelse vlag hangt prominent boven de bar, enkele vissers zitten al aan de borrel en op de tv in de hoek wordt het Britse nieuws voorgelezen.

Op weg naar de aardappelvelden

We besluiten om niet al onze tijd te verdoen met drinken in de pub en beginnen aan een korte wandeling. We volgen het drie kilometer lange lint van grof gravel dat door het vredige landschap leidt met aan de ene kant de berg en de andere de oceaan. Al snel stuiten we op de Hottentot Shelter. De benaming van de busstop, er rijdt een klein busje op en neer naar de aardappel patches, verwijst naar de Afrikaanse soldaten die hier in 1816 hun kamp opsloegen. Ze moesten eventuele Fransen tegenhouden, die via Tristan de verbannen Franse keizer Napoleon op Saint Helena wilden bevrijden.

Het eiland kent wat gekke namen, en onderweg naar de aardappel velden stuiten we op Mile Stone en Red Body Hill, ook hoorden we van Ridge-Where-the-Goat-Jump-Off. Plekken met interessante verhalen, zo vertelt Kelly ons later. De weg loopt dood bij de aardappel velden. Deze velden bestaan uit een stel akkertjes door stenen muurtjes omgeven. Her en der zijn kleine huisjes te zien, sommige gebouwd van vulkaanstenen. We klauteren een stijl heuveltje op om een mooi overzicht te hebben over de aardappels. “Dit zijn de beste aardappels ter wereld” vertelt Joe, die als dierenarts 9 maanden op het eiland verbleef. Elke familie heeft een eigen manier om de aardappels te bemesten. De een doet dat met overblijfsels van de kreeften die gevangen worden en de ander doet het met schapenwol. “Voor de Tristanians zijn aardappels een soort verzekering” vertelt Joe. “Als het geld zijn waarde verliest, hebben ze altijd nog hun aardappels”. Niet alleen Joe is gek op de Tristan aardappels, ook de Saints (Saint-Helena) zijn er gek op en importeren ze graag.

Op weg naar de aardappel patches. Foto: Milene van Arendonk

Op weg naar de aardappel patches. Foto: Milene van Arendonk

Schuurtje bij aardappel patches. Foto: Milene van Arendonk

Schuurtje bij aardappel patches. Foto: Milene van Arendonk

De aardappel patches. Foto: Milene van Arendonk

De aardappel patches. Foto: Milene van Arendonk

Nederlands bloed op Tristan da Cunha

Eenmaal terug in de Settlement spreek ik af met Kelly. Kelly behoort tot de familie ‘Green’. Green is de grootste familie op het eiland en bestaat uit 33 mannen en 33 vrouwen. Daarnaast heeft de familie een link met Nederland. Peter Groen werd in 1808 in Katwijk geboren en leed in 1836 schipbreuk voor de kust van Tristan da Cunha. Hij bleef er de rest van zijn leven, trouwde er en werd uiteindelijk woordvoerder/gouverneur van het eiland. Groen veranderde zijn naam in Peter Green en maakte zich o.a. verdienstelijk door het redden van drenkelingen. In het ‘Nieuws van de Dag’ werd hij in 1897 zelfs betiteld als de ‘ongekroonde koning van Tristan da Cunha’.

Geen dag zonder wind op Tristan da Cunha. De was droogt dus snel maar de lijn heeft wat hulp nodig. Foto: Milene van Arendonk

Geen dag zonder wind op Tristan da Cunha. De was droogt dus snel maar de lijn heeft wat hulp nodig. Foto: Milene van Arendonk

Het internet café van Tristan. Vaker gesloten dan niet. Foto: Milene van Arendonk

Het internet café van Tristan. Vaker gesloten dan niet. Foto: Milene van Arendonk

“Leven op Tristan is als leven in een bubbel” vertelt Kelly. Hier wordt je portemonnee niet gestolen. Je ziet hier niet iedereen op Instagram foto’s plaatsen. De nieuwste films zie je hier niet direct nadat ze uitkomen. Verjaardagen vier je hier met z’n allen, en een hele week lang. Heel anders dan in bijvoorbeeld Engeland. Maar spijt van haar avontuur heeft ze niet. In tegendeel zelfs. “Iedereen geeft hier om iedereen, iedereen helpt elkaar, dat is het fijne aan het wonen op een eiland met maar 250 mensen”.

Na een paar uur verlaat ik het eiland alweer. Ik zwaai naar Kelly en vertel haar dat we via Facebook contact kunnen houden. De mensen leven hier tegenwoordig toch minder geïsoleerd van de rest van de wereld door het gebruik van internet. Een dag op Tristan da Cunha is natuurlijk veel te kort, maar een ander bijzonder eiland wacht.